Assisi by night

800 jaar Zonnelied – 'Pax et bonum' in confrontatie met beperking en lijden

Dr. Jonas Rooseleer

Psychiater Zonnelied VZW

Een lied met diepe spirituele kracht

Dames en heren, beste collega’s, 

Vandaag wil ik het hebben over een oud lied, één van de oudste teksten in de Italiaanse volkstaal. Het Zonnelied van Sint Franciscus van Assisi viert dit jaar zijn achthonderdste verjaardag en blijft tegelijkertijd nog steeds zeer actueel. Het is een lied dat niet alleen over de zon en de maan spreekt, maar ook over onszelf: over hoe we omgaan met schoonheid, lijden en met de ander. 

Het Zonnelied – ook wel het Loflied der Schepselen genoemd – is geen naïef loflied op de natuur. Het is een existentiële hymne, een spirituele getuigenis die niet alleen de schoonheid van de schepping bezingt, maar die ook een diepe mystieke visie biedt op vreugde, op lijden en op het goede leven.  

Mystiek betekent hier het op een intieme manier ervaren van verbondenheid – met het leven, met de ander, met God. Het Zonnelied is geen middeleeuwse ecopoëzie avant la lettre, maar een lied met een diepe spirituele kracht. 

Het zou makkelijk voor te stellen zijn dat Franciscus dit loflied zou hebben geschreven als jongeman, zwervend door de prachtige heuvels van Umbrië. Hij schreef het lied echter rond 1225, aan het einde van zijn leven. Franciscus was stervende en leefde teruggetrokken in San Damiano. Hij was ziek en blind. Hij had alles verloren wat volgens de normen van zijn tijd belangrijk was. Zijn orde dreigde te verwateren. Zijn lichaam was uitgeput. Hij kon het licht niet meer zien omdat het pijn deed aan zijn verzworen ogen.  

En toch zingt Franciscus een lied van vreugde, verwondering en dankbaarheid. Hij zingt over het licht. Over de zon. Over de maan en de sterren. Over water, vuur en aarde. En zelfs over de dood. Hij zingt zijn lied met verwondering en dankbaarheid. 

Drie thema's

In deze lezing wil ik drie thema’s verkennen. Eerst lees ik met u het Zonnelied als mystieke tekst over vreugde, lijden en het goede leven. Dan keer ik terug naar het leven van Franciscus, en onderzoek ik hoe hij tot deze spiritualiteit kwam – via een letterlijke omhelzing van het lijden. Tenslotte sta ik stil bij onze voorziening, Zonnelied vzw, waar we vandaag, in de geest van Franciscus, zorg proberen te bieden aan mensen met een beperking. 

1. Het Zonnelied: lofzang in het licht van lijden 

Allerhoogste, almachtige en goede Heer,
U zij lof, glorie en eer
en alle zegeningen; 
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
En geen mens is waardig U ook maar te noemen. 

Voordat Franciscus de schepping bezingt, richt hij zich eerst tot de Allerhoogste. Franciscus begint zijn loflied niet bij de schepselen, maar bij de Schepper. Het is zijn manier om duidelijk te maken: alles wat er bestaat – zon, maan, vuur, water, zelfs de dood – heeft zijn oorsprong in God en verwijst uiteindelijk naar Hem. Het loflied van de schepselen is een lied van verwondering en dankbaarheid, een weg naar de Bron van al wat leeft

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, met al uw schepselen, 
Vooral de heer broeder Zon, 
Die de dag maakt en door wie Gij ons verlicht. 
Hij is schoon, stralend met grote pracht; 
Van U, Allerhoogste is hij het symbool. 

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, 
Door zuster Maan en de Sterren. 
Gij hebt ze aan de hemel gemaakt, 
Klaar, kostbaar en schoon; 

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door broeder Wind 
En door de lucht en de wolken, 
Door het zachte weer en de seizoenen, 
Door dewelke Gij alle schepselen onderhoudt. 

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door zuster Water, 
Die zeer nuttig is en nederig. 
Kostbaar en kuis. 

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door broeder Vuur, 
Door wie Gij de nacht verlicht : 
Hij is schoon en vrolijk, 
Onweerstaanbaar en sterk. 

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door onze zuster moeder Aarde, 
Die ons draagt en voedt 
En allerlei vruchten voortbrengt 
En veelkleurige bloemen en kruiden. 

Na zijn aanhef tot de Allerhoogste bezingt Franciscus de schepselen. Hij zingt over het licht, de zon, de maan en de sterren. Hij zingt over water, vuur en aarde.  

Franciscus richt zich tot de schepselen en noemt hen zijn broeders en zusters. Ze zijn manifestaties van Gods goedheid en dragers van een goddelijke aanwezigheid. Dit is geen romantische pastoraal. Het beschouwen van de elementen als medeschepselen vertrekt vanuit een diepe franciscaanse mystiek. Het lied is een uitdrukking van een radicaal immanente godsbeleving, een diepe ervaring  van God in de wereld, in het alledaagse.  

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, 
Door hen vergiffenis te schenken die uit liefde tot U 
beproeving en ziekte verdragen. 
alig zij die de vrede bewaren, 
Want door U, Allerhoogste, 
Zullen zij worden gekroond. 

Franciscus stopt in zijn lofzang niet bij zon, maan en de elementen. In het vervolg van het Zonnelied richt hij zich tot de mens. Niet tot de sterke of succesvolle mens, maar tot wie lijdt, tekortschiet of verdrukt wordt. 

In deze regels klinkt iets wezenlijks over Franciscus’ houding tegenover lijden dat geen oplossing kent. Hij prijst niet degene die geneest of herstelt, maar degene die blijft, trouw en nabij aan de lijdende, gedreven door liefde tot God. In die nabijheid wordt iets van Gods trouw zichtbaar. 

Zalig zij die de vrede bewaren. 

In de context van zorg zijn dat niet alleen mensen die hun eigen pijn moedig dragen, maar ook zij die het lijden van de ander niet schuwen. Het zijn zij die nabij blijven, ook als ze niets kunnen oplossen. Die trouw blijven aan de ander in zijn kwetsbaarheid, en hem blijven vasthouden in zijn mens-zijn. 

Bij deze strofe hangt een belangrijke franciscaanse klank in de lucht: Pax et bonum, vrede en alle goeds. Pax et Bonum is geen simpele wens. Het is een uitnodiging om vrede te sluiten met jezelf, met de ander, met het lijden en met de beperking. En om het goede te blijven zoeken. Niet in succes, autonomie of perfectie, maar in verbondenheid, nabijheid en eenvoud. 

Zo wordt vrede zichtbaar, en wordt het goede tastbaar in het kleine en het kwetsbare. 

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, 
Door onze zuster de lichamelijke Dood. 
Waaraan geen levend mens ontkomen kan. 
Ongelukkig zij die sterven in zonde. 
Zalig zij die aangetroffen worden in Uw Wil 
Want de tweede dood zal hen geen kwaad doen. 

In de confrontatie met lijden en eindigheid schrikt Franciscus er niet voor terug om ook de dood zijn geliefde zuster te noemen. Het is een gedachte die voor velen in onze huidige maatschappij choquerend kan zijn. Wij houden de dood het liefst buiten beeld, buiten het leven. Maar Franciscus ziet haar als een deel van het grote geheel. Meer dan dat zelfs. Want zijn omarming van de dood en van het lijden is geen stoïcijnse berusting van de realiteit van de eindigheid. Het is een diep mystieke omarming van het lijden als een weg naar God. Zuster Dood is op die manier geen angstaanjagend einde, maar een geliefde metgezel. Een poort naar de ultieme vereniging met God.  

In zijn Zonnelied beschrijft Franciscus dus een mystieke weg naar God die zich op twee manieren ontvouwt: enerzijds in de vreugdevolle verbondenheid met God in de schepping en anderzijds in de dankbare aanvaarding van de eindigheid, waarin ook beperking, vergankelijkheid en dood een plaats krijgen. 

In de schepselen komt Franciscus in contact met iets dat groter is dan hijzelf. Hij verliest zichzelf in de connectie met Gods immanente aanwezigheid en komt op die manier tot een mystieke vereniging met God.  

In de dood komt hij tot de ultieme ontlediging van zijn wezen en opent hij zich voor een spirituele transformatie en innige vereniging met God. Zuster Dood is een poort naar voltooiing.  

In zijn blindheid zag Franciscus misschien wel helderder dan ooit. 

Loof en prijs mijn Heer,
Dank en dien Hem in eenvoud. 

Het Zonnelied eindigt met een oproep tot eenvoud, tot kleinheid.  

Eenvoud in de geest van Franciscus betekent ontvankelijkheid, onthechting van het ego. En het besef: ik ben niet het centrum van het bestaan. Die eenvoud is geen leegte, maar een geloofsvolle overgave, een lofzang die zelfs in het lijden niet verstomt. 

Deze slotzin maakt duidelijk wat het Zonnelied ons als zorgverleners leert: laat de behoefte aan controle los, geef ruimte aan de ander, en bouw samen een zorgrelatie waarin niet alles opgelost hoeft te worden, maar waar plaats is voor dienstbaarheid, kleinheid en nabijheid. 

Want soms ligt de diepste zorg niet in het vinden van een antwoord, maar in het durven blijven bij wat geen oplossing heeft, zoals Franciscus zijn Heer bleef loven, ook in lijden en dood. 

2. De weg naar het Zonnelied: de melaatse en de omkering 

Hoe komt iemand ertoe om in zijn sterven te zingen over de zon én over de dood als broeder en zuster? Dat is geen spontane ingeving. Het is het resultaat van een innerlijk proces, een transformatie, een weg. Voor Franciscus begint die weg op een scharniermoment: de ontmoeting met de melaatse.  

De melaatse belichaamde in die tijd alles wat afstotelijk was: lichamelijk verval, sociale uitsluiting, besmettingsgevaar. Melaatsen werden uit de gemeenschap verbannen en leefden aan de rand van de samenleving, onaanraakbaar. Ook Franciscus ervoer deze diepe afkeer toen hij op een dag een melaatse tegenkwam op zijn pad. Maar op een ogenblik van genade stapte hij van zijn paard, liep op de melaatse af en kuste hem. Wat eerst bitter en afschuwelijk was, werd in zijn eigen woorden zoet als honing. 

Daar begint de omkering. Dat moment betekent een breuk met zijn oude zelf: de jongeman die droomde van ridderlijke glorie, erkenning en controle over zijn lotsbestemming.  De melaatse wordt niet langer ervaren als een probleem dat opgelost moet worden, maar als een mens die nabijheid vraagt. Franciscus herkent in de melaatse geen bedreiging meer, maar een mens. Een mens die vraagt om nabijheid en menselijkheid.  

De filosoof Emmanuel Levinas noemt dat het begin van ethiek: de ontmoeting met het gelaat van de ander. Het gelaat van de ander bevraagt ons, roept ons op, haalt ons uit onze zelfgenoegzaamheid. Het is die oproep waarop Franciscus ingaat. Hij draait zich niet weg. Hij blijft. En in de verminkte ander herkent hij Christus zelf, de Gekruisigde én de Verrezene. De God die afdaalt tot onze diepste menselijke verlatenheid. De God die geneest door nabijheid. 

Franciscus stapt letterlijk van zijn paard, maar ook figuurlijk: hij stapt uit zijn positie van afstand, macht en beheersing. Dat maakt echte ontmoeting mogelijk. En van daaruit groeit zijn spiritualiteit. 

Zorg krijgt op die manier een spirituele dimensie. Ze begint waar de ander niet langer wordt benaderd als een object van zorg – een ‘zorgvrager’ – maar als een mens die lijdt. Een mens die ons kan raken, die ons kan veranderen en oproepen tot nabijheid.  

In dat licht kunnen we de huidige zorgcontext kritisch bevragen. Efficiëntie, planning en meetbare doelen zijn niet verkeerd, maar wanneer ze de ontmoeting met de ander áls ander verdringen, verliest de zorg haar ziel. 

Franciscus wijst ons een andere weg, naar een zorg die vertrekt vanuit aanwezigheid, geraakt-zijn en gedeelde kwetsbaarheid. Een zorg die niet alles wil beheersen, maar die openstaat voor het mysterie van de ander.  

Hij nodigt ons uit om ook vandaag van ons paard te stappen, af te dalen uit ons tempo, onze controle en onze vanzelfsprekendheid, en er eenvoudigweg te zijn bij de ander. 

De weg naar het Zonnelied is geen klim naar boven, naar succes of beheersing. Het is een beweging naar beneden: naar de rand, naar wie vergeten wordt.  

Het is een weg van loslaten. Niet om leeg te worden, maar om ruimte te maken. Voor de ander. Voor God. En voor het goede en het mooie dat in kwetsbaarheid zichtbaar wordt.  

Dat is de weg van Franciscus, een weg die ons ook vandaag nog uitnodigt. 

3. Ons Zonnelied: zorg als aanwezigheid bij Zonnelied vzw 

Ik werk in Zonnelied vzw, een voorziening in Roosdaal waar mensen met een verstandelijke beperking wonen, werken en hun leven vormgeven in verbondenheid met anderen. Onze naam verwijst niet toevallig naar het Zonnelied. Onze wortels liggen bij de zusters Franciscanessen van Strijtem, die sinds 1930 onderwijs en zorg bieden aan kinderen en volwassenen met een beperking. 

Net als bij Franciscus begint ook bij ons in Zonnelied de zorg in de ontmoeting. In het herkennen van het gelaat van de ander. Ook als dat gelaat anders is, verwarrend, moeilijk te begrijpen. Misschien juist dan. 

We zien onze bewoners niet als ‘patiënten’, ‘cliënten’ of ‘zorgvragers’ maar als gasten. Als mensen met een eigen geschiedenis, met een kwetsbaarheid, maar ook met een eigen verlangen. Een verlangen dat niet altijd onder woorden gebracht kan worden, maar dat wel voelbaar kan zijn in het samen leven, in een blik, in een stilte. 

In Zonnelied putten we niet alleen uit de franciscaanse spiritualiteit, maar ook uit de psychoanalyse. Beide delen een diepgewortelde onderstroom: zorg als ruimte. Een ruimte die ontstaat wanneer we onze illusies van rationele controle durven loslaten. Een ruimte van open ontvankelijkheid waarin iemand zich kan laten raken. Een ruimte waarin iemand niet langer een “zorgvrager” is, maar gewoon mens mag zijn, waar iemand betekenis krijgt door zijn eigenheid en door zijn aanwezigheid.  

Om deze onderstroom levendig te houden, zoeken we ook bewust momenten van herbronning. Intussen trokken we al drie keer met collega’s op inleefreis naar Assisi. Geen klassieke vormingsreis, maar een tocht om te vertragen, stil te vallen en opnieuw in contact te komen met de inspiratie van onze zorg.  

Het bijzondere aan deze reizen is dat verschillen vervagen. Zorg, onderhoud, administratie of leiding: iedereen wordt gewoon mens onderweg. In die eenvoud ontdekken we wat in onze dagelijkse zorg echt van belang is. Niet controle of perfectie, maar aanwezigheid en kwetsbare nabijheid. Zo komen we dichter bij de ziel van onze zorg, bij een onderstroom van kleine goedheid en gedeelde broosheid, bij het samen zoeken naar het goede leven. Die onderstroom willen we levendig houden, niet alleen door vorming, maar vooral door ervaringen die raken. Zulke momenten worden verhalen die blijven leven in onze organisatie en ons telkens herinneren aan de kern van wat we doen. 

De inzichten en de inspiratie die we op die reizen opdoen, helpen ons in het dagelijkse werk om dichtbij onze gasten te blijven, ook wanneer hun situatie complex of uitzichtloos lijkt. Veel van onze gasten in Zonnelied hebben al een lange weg achter de rug. Ze zijn ‘uitbehandeld,’ en hebben verschillende voorzieningen en ziekenhuizen achter zich gelaten. Hun problemen kunnen niet opgelost worden. Een zorg die hun moeilijkheden kan doen verdwijnen bestaat niet. Toch kiezen we er in Zonnelied voor om te blijven, ook als we niets kunnen oplossen. Net als Franciscus proberen we af te stappen van ons paard en onze gasten op ooghoogte tegemoet te treden Dat kan moeilijk en ongemakkelijk zijn. Maar net in die volgehouden aanwezigheid, kan er na jaren vaak toch iets nieuws ontstaan.  

Een efficiënte en kwaliteitsvolle dienstverlening bieden, aangepast aan de noden van vandaag, is natuurlijk belangrijk. Maar tegelijkertijd willen wij ons niet helemaal laten meezuigen in een zorglandschap dat meer en meer gedomineerd wordt door marktwerking, protocollering en outcome management. Tegen die maatschappijvisie willen we een tegencultuur blijven vormen.  

Dat doen we door te kiezen voor een waarde-gedreven zorg
waarbij nabijheid belangrijker is dan snelheid,
relatie belangrijker dan resultaat
en een open ontvankelijkheid belangrijker is dan beheersing en controle.  

Op die manier wordt het Zonnelied van Franciscus geleefd.
In kleine gebaren en in stille keuzes wordt zorg meer dan een individuele dienstverlening.
Zorg wordt een plek waar echte relatie ontstaat.
Een plek waar gemeenschap groeit. 

Dat maakt de spiritualiteit van Franciscus zichtbaar in het werk van vandaag én geeft ons misschien wel de ware betekenis van wat we vandaag 'inclusie' noemen.  

Besluit: Zonnelied vandaag nog steeds relevant

Het Zonnelied is geen lied voor een volmaakte wereld. Het is een lofzang geboren uit blindheid, pijn en verlies. Maar ook uit liefde, aanwezigheid en hoop. 

Geïnspireerd door het Zonnelied ligt in de zorg een belangrijke opdracht:
Niet alles willen oplossen, maar blijven.
Niet alles beheersen, maar nabij zijn.
Niet het perfecte leven nastreven, maar het goede leven mogelijk maken.
Ook in de confrontatie met beperking. 

In die zin is het Zonnelied in de maatschappelijke context van vandaag misschien belangrijker dan ooit.  

Dank u wel.