pixabay books-1141911_1280

Het probleem van het kwaad doorgelicht met C.S. Lewis

Kaat Vandeputte

master in filosofie en economische wetenschappen. 

 

1. Inleiding: sterk of zwak argument? 

Het probleem van het kwaad wordt vaak gebruikt als argument tegen het bestaan van God. Volgens dit argument is Gods bestaan problematisch, omdat kwaad en lijden bestaan. Maar vormt deze simultane aanwezigheid werkelijk een probleem?

In deze paper zal ik het probleem van het kwaad grondig onderzoeken aan de hand van het 20e-eeuwse gedachtegoed van Clive Staples Lewis. 

 

2. Begripsverheldering 

Om een goede analyse uit te voeren, moeten heel wat concepten toegelicht worden. Ik zal daarom beginnen met een formulering van het probleem van het kwaad, enkele afbakeningen introduceren en een duidelijk godsdefinitie presenteren. 

2.1. Het argument 

Kort en kernachtig samengevat, bestaat het probleem van het kwaad uit een viertal aannames, een vaststelling en een conclusie. Om te beginnen is er maar één God. Deze eerste aanname verwerpt de optie dat meerdere met elkaar ruziemakende goden de oorzaak zouden kunnen zijn van het kwaad. Verder stelt het argument dat deze ene God goed, alwetend en almachtig is. Daaruit komen volgens het argument een aantal consequenties voort. Uit Gods goedheid volgt dat Hij voor zijn schepping geen lijden, maar geluk wil. Door zijn alwetendheid kan Hij alle kwaad en de mogelijkheden tot kwaad voorzien. Zijn almacht stelt Hem ten slotte tezamen met zijn alwetendheid in staat om zijn wil te verwezenlijken. Vervolgens wijst het argument op de aanwezigheid van kwaad, lijden en pijn in de wereld. Dit gebrek aan geluk lijkt een contradictie te vormen met het bestaan van een goede, alwetende en almachtige God. Zoals Stefan Paas en Rik Peels in God bewijzen: Argumenten voor en tegen geloven opmerken, worden alle mensen met het vraagstuk van deze wringende simultaneïteit in aanraking gebracht. Ook de Bijbel bevat boeken, waaronder het boek Job en het boek Klaagliederen, waarin het menselijke geploeter omtrent deze vraag op tafel wordt gelegd. Het probleem van het kwaad is dan ook “een ervaring die gelovigen en ongelovigen met elkaar delen”, aldus Paas en Peels. Uiteindelijk trekt het argument de conclusie dat God niet kan bestaan, of dat het nogal onwaarschijnlijk is dat God zou bestaan.

Om het probleem van het kwaad echt goed te kunnen begrijpen en de geldigheid ervan te kunnen nagaan, is begripsverheldering noodzakelijk. Enerzijds is een grondige analyse van de termen goedheid, almacht en alwetendheid, alsook een duidelijke definitie van God vereist. Anderzijds is een minimale omschrijving van kwaad, pijn en vrijheid nodig. Deze begrippen zullen gaandeweg doorheen de paper behandeld en verhelderd worden. Hoewel het begrip ‘vrijheid’ niet expliciet in het argument wordt vermeld, speelt deze term wel een belangrijke rol in de problematiek van het kwaad. Vanwege de complexiteit en uitgebreidheid van het probleem van het kwaad, introduceer ik echter eerst enkele onderscheiden en afbakeningen. 

2.2. Enkele afbakeningen 

Ten eerste kan men, zoals Paas en Peels aangeven, het probleem van het kwaad op twee manieren aanpakken: existentieel en intellectueel. Hoewel veel kwaad grote schade met zich meebrengt en ons soms tot wanhoop drijft, laat ik de existentiële belevenis van kwaad buiten beschouwing. Net als Paas en Peels zal ik het probleem louter intellectueel behandelen. Ook Lewis gaat in Het probleem van het lijden zo te werk. Zoals vaak geldt ook hier een breuk tussen theorie en praktijk. Ten tweede kent het probleem van het kwaad zowel een logische of deductieve als evidentiële of inductieve variant. Paas en Peels wijzen tevens op dit onderscheid. Volgens de deductieve variant gaan de aanwezigheid van kwaad en Gods bestaan onmogelijk samen. Volgens de inductieve variant is deze combinatie enkel onwaarschijnlijk. Zoals Paas en Peels aanstippen, is het deductieve argument in de academische wereld niet langer van kracht sinds de oplossing van Alvin Plantinga. Daardoor zal ik vooral focussen op het inductieve probleem. In het korte bestek van deze paper zal ik Plantinga’s weerlegging niet verder bespreken.

Soorten kwaad

Wat het kwaad betreft, zal ik enkel ingaan op het onderscheid tussen natuurlijk en moreel kwaad. Ik zal geen aandacht besteden aan de intensiteit, de duur of de omvang ervan, noch aan het verschil tussen fysiek en mentaal kwaad, en evenmin aan de distinctie tussen pathologisch en niet pathologisch. Volgens Paas en Peels komt moreel kwaad voort uit de vrije wil van de mens. Natuurlijk kwaad daarentegen “is kwaad dat niet door keuzes van mensen veroorzaakt lijkt te worden”. Belangrijk hierbij is het woordje ‘lijkt’. Hoewel natuurlijk en moreel kwaad een belangrijk onderscheid vormen, vloeien ze soms in elkaar over. Aansluitend bij dit onderscheid hoort ook een minimale definitie. Als voorwaarde om van kwaad te kunnen spreken, stel ik dat de gebeurtenis nadelige gevolgen moet hebben voor levende wezens. Een vulkaan die uitbarst in een levenloze wereld, kunnen we moeilijk van kwaad beschuldigen. 

Het begrip pijn

Met betrekking tot pijn volg ik Lewis in zijn onderscheid tussen een pijngevoel en een pijnervaring. De verzameling van pijngevoelens omvat al wat door de mechanismen van het lichaam wordt gelabeld als pijn. De verzameling van pijnervaringen bevat elke onaangename ervaring. Beide verzamelingen overlappen bijgevolg deels met elkaar, maar niet volledig. Niet ieder gevoel dat het lichaam technisch gezien als pijn herkent, is namelijk werkelijk storend. Een beetje spierpijn na een training kan bijvoorbeeld best aangenaam zijn. Omgekeerd komt niet iedere vorm van lijden neer op fysieke pijn. Rouw en liefdesverdriet zijn immers geen lichamelijke, maar emotionele pijnen. In deze paper hanteer ik het begrip ‘pijn’ als een pijnervaring.

2.3. Definitie van God 

De conclusie dat God niet kan bestaan, is oppervlakkig en te snel getrokken. Uit het argument zoals uiteengezet in de vorige sectie, volgt namelijk niet dat God an sich niet kan bestaan. Het bestaan van een kwade, almachtige God of een goede God met beperkte macht of gebrekkige alwetendheid bijvoorbeeld, wordt door het argument niet weerlegd. Indien het argument geldig is, verliest het bijgevolg reeds een deel van zijn kracht. De conclusie luidt niet dat God niet kan bestaan, maar dat de God met welbepaalde aannames niet kan bestaan. Men kan dus hooguit stellen dat God niet goed en/of niet alwetend en/of niet almachtig en/of niet één is.

Hieruit blijkt dat een duidelijke definitie van God noodzakelijk is om het probleem van het kwaad goed te kunnen evalueren. God definiëren kan op abstracte wijze of op een concrete manier, zoals bijvoorbeeld het geval is wanneer men spreekt over de joods-christelijke of islamitische God. Ik zal in deze paper werken met de abstracte definitie van Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder, terug te vinden in hun boek En dus bestaat God: De beste argumenten, waarbij zij God definiëren als “de immateriële persoonlijke eerste oorzaak van de wereld”. Deze definitie vul ik verder aan met de aannames van het argument – dat God één, goed, alwetend en almachtig is – en met de hypothese dat Hij bestaat. 

 

3. Analyse van de termen almacht, goedheid en alwetendheid 

Bij het probleem van het kwaad kan men zich afvragen of het überhaupt mogelijk was voor God om een wereld te scheppen zonder kwaad, pijn en lijden, waarbij voor de rest de dingen min of meer hetzelfde zouden blijven zoals nu. Het vraagstuk of God beter geen wereld had geschapen en een denkbeeldig scenario met een totaal andere wereld vallen buiten de opzet van deze paper. In plaats daarvan hanteer ik enkele begincondities die bij het beantwoorden van deze vraag dienen te blijven gelden. Deze condities volgen eerder de common sense. Zo moeten we bijvoorbeeld nog steeds bestaan, elkaar blijven ontmoeten zoals nu en onze vrijheid behouden. Bij het onderzoek naar Gods mogelijkheden is het interessant om de termen uit de aannames van het argument grondig te analyseren. Wat is almacht, goedheid en alwetendheid? 

3.1. Gods almacht 

Zoals Lewis aanhaalt, is almacht de “macht om alles te doen”. De term suggereert dat niets nog onmogelijk is. Lewis wijst echter op twee soorten onmogelijkheden. Een betrekkelijke onmogelijkheid is enkel onmogelijk gegeven de omstandigheden. Indien die omstandigheden veranderen, kan wat voorheen onmogelijk was plots mogelijk worden. Wat daarentegen absoluut of intrinsiek onmogelijk is, zal dat altijd blijven. Iets is intrinsiek onmogelijk wanneer het met zichzelf een contradictie vormt. Dergelijk intrinsieke onmogelijkheden genieten dan ook geen bestaan. Ze zijn “onder alle omstandigheden, in alle werelden en voor allen onmogelijk”, aldus Lewis. Hieruit volgt dat Gods almacht inderdaad al wat intrinsiek mogelijk is, kan verwezenlijken. Wat intrinsiek onmogelijk is, bestaat echter niet en behoort niet tot zijn almacht. Welnu, is een wereld zonder kwaad intrinsiek mogelijk of onmogelijk? 

Natuurlijk kwaad

Het lijkt me verstandig om deze vraag op te splitsen in twee deelvragen, om zo natuurlijk en moreel kwaad apart te behandelen. De eerste deelvraag gaat aldus als volgt: is een wereld zonder natuurlijk kwaad intrinsiek mogelijk of onmogelijk? Dat er veel kwaad voortkomt uit de natuur, is overduidelijk. Voorbeelden hiervan zijn natuurrampen zoals extreme droogte, orkanen en lawines, maar ook allerhande ziekten zoals kanker, mucoviscidose, multiple sclerose en gebreken zoals doof- en blindheid. Gegeven dit lijden dat de natuur voortbrengt, rijst de vraag in welke mate de natuur werkelijk noodzakelijk is. Lewis geeft een mogelijke verklaring voor het bestaan van de natuur en haar natuurwetten, waarbij hij rekening houdt met de vermelde begincondities. 

Levende wezens, zo merkt Lewis op, ontmoeten elkaar en leven samen. Dat is enkel mogelijk als deze wezens over een gezamenlijk medium beschikken. Tijd en ruimte zijn daarbij een minimale vereiste, maar volgens Lewis hebben we ook iets neutraals nodig dat we kunnen gebruiken om met elkaar te communiceren. Deze functie is weggelegd voor de materie. Bijgevolg moet de materie over vaststaande kenmerken beschikken. Zo niet, zouden we niet met elkaar kunnen communiceren. En als de materie op bevel van één persoon naar believen zou veranderen, dan beschikten we bovendien niet langer over een vrije wil. Om aan de begincondities te voldoen, concludeert Lewis, hebben we aldus een gemeenschappelijk en neutraal medium of natuur nodig waarbij de materie over stabiele eigenschappen beschikt en onveranderlijke wetten naleeft.

Als gevolg hiervan blijkt kwaad een intrinsieke eigenschap van de natuur te zijn. Bestendige eigenschappen en wetten kunnen namelijk onmogelijk voor iedereen altijd in dezelfde mate aangenaam zijn. Wat voor de één een verfrissende bries is, kan voor de ander onaangenaam koud zijn. Dankzij de zwaartekracht kunnen mijn spullen niet zomaar wegdrijven, maar door diezelfde zwaartekracht zal ik ook te pletter slaan als ik van een hoogte naar beneden tuimel. En zoals Lewis aangeeft, zal wanneer iemand de wind mee heeft, de persoon die in de tegenovergestelde richting gaat de wind tegen hebben. De begincondities in acht nemend, volgt hieruit dat een wereld zonder natuurlijk kwaad intrinsiek onmogelijk is. Ook Paas en Peels komen tot deze conclusie: “Lijden ‘hoort’ bij een wereld als de onze.”

Wanneer iemand de wind mee heeft, zal de persoon die in de tegenovergestelde richting gaat de wind tegen hebben. De begincondities in acht nemend, volgt hieruit dat een wereld zonder natuurlijk kwaad intrinsiek onmogelijk is. (Lewis)

Moreel kwaad

Maar hoe zit het met moreel kwaad? Is ook een wereld zonder moreel kwaad intrinsiek onmogelijk? Dat is de tweede deelvraag. De lijn tussen moreel en natuurlijk kwaad is echter niet scherp te trekken. Moreel kwaad is namelijk zowel oorzaak als gevolg van natuurlijk kwaad. Om te beginnen zet natuurlijk kwaad de deur open voor moreel kwaad. Zoals Lewis opmerkt, maken de intrinsieke eigenschappen van de natuur het immers mogelijk voor de mens om deze ten kwade te gebruiken.

Daarnaast is moreel kwaad vaak de indirecte oorzaak van natuurlijk kwaad. Natuurrampen die voortkomen uit menselijke tussenkomst in de natuur, zoals het opbouwen van een monocultuur en het veroorzaken van een forse CO2-uitstoot, zijn daar voorbeelden van. Bovendien kunnen mensen de uitbraak van sommige catastrofes verhinderen en de gevolgen van een ramp inperken, aldus Paas en Peels. Zo is men bijvoorbeeld in staat om hongersnood te beletten en de verspreiding van ziektes tegen te gaan. Bij het beantwoorden van de vraag of een wereld zonder moreel kwaad intrinsiek al dan niet onmogelijk is, wijst men vaak naar de vrije wil van de mens. Ik zal deze vraag daarom pas behandelen na een korte analyse van het begrip ‘vrijheid’. Ook de vraag of God niet voortdurend kan ingrijpen, komt later aan bod. Nu volgt eerst een analyse van Gods goedheid. 

3.2. Gods goedheid 

Volgens Lewis stellen velen Gods goedheid gelijk met liefde en liefde gelijk met vriendelijkheid. Deze standaardopvatting klopt echter niet: liefde is niet hetzelfde als vriendelijkheid.  Het onderscheid tussen beide termen ligt in de mate van veeleisendheid. Lewis verwoordt deze distinctie als volgt: 

Vriendelijkheid op zich kan het weinig schelen of het object beter of slechter wordt, zolang het maar niet hoeft te lijden. […] Als we geluk tegen iedere prijs eisen, is dat voor degenen om wie we weinig geven; voor onze vrienden, onze geliefden, onze kinderen, zijn we veeleisend; hen willen we liever zien lijden dan dat ze gelukkig zijn op een weg die naar het verderf leidt en ze van ons vervreemdt. 

Bij vriendelijkheid komt er aldus geen veeleisendheid aan te pas. Haar enige bekommernis is dat de ander niet lijdt. Echte liefde daarentegen wordt gekenmerkt door een grote veeleisendheid. Met behulp van enkele voorbeelden verduidelijkt Lewis deze stelling. Achtereenvolgens noemt hij de liefde van een kunstenaar voor zijn kunstwerk, de liefde die een huisdier van zijn baasje ontvangt, de vaderliefde tegenover zijn kind en tot slot de liefde tussen man en vrouw. Wat deze voorbeelden volgens Lewis duidelijk maken, is “dat de Liefde van nature de vervolmaking van haar object eist”. De gever overstelpt de ontvanger met liefde en maakt zijn geliefde op die manier “beminnenswaardiger dan hij van nature was”. Vanuit de geschonken liefde vormt degene die bemint de ander tot de beste versie van zichzelf. 

Liefde en lijden

Deze vorming kan echter gepaard gaan met pijn. De hond die in bad gestopt en stevig geschrobd wordt, zou misschien liever gaan spelen in de modder. En het kind dat door zijn vader wordt opgevoed tot een rechtvaardige en succesvolle jongeman met een hart van goud, wenst zich soms misschien een vader die zich wat minder om hem bekommert. Hieruit blijkt dat liefde en lijden geen tegenpolen zijn en dat liefde soms lijden kan voortbrengen. Als God werkelijk van ons houdt, dan zou het bijgevolg wel eens mogelijk kunnen zijn dat Hij lijden noodzakelijk acht om ons zo te vormen tot de meest volmaakte versie van onszelf. Een liefdevolle God kan aldus goede redenen hebben om kwaad toch toe te laten. 

In sommige situaties lijkt deze stelling best aannemelijk. Pijn kent immers verschillende positieve functies. Een klein kwaad kan bijvoorbeeld een groter kwaad verhinderen, gedaan onrecht herstellen of medelijden opwekken. In dergelijke gevallen is het nut van lijden enigszins begrijpelijk. Er bestaan echter talloze omstandigheden waarbij de zin van het lijden ons volledig ontgaat, zoals kindermisbruik, verkrachtingen en genocides. Ook deze situaties vormen desalniettemin geen objectie tegen de stelling dat God over goede redenen kan beschikken om kwaad toe te laten. Zoals Paas en Peels aangeven, wordt deze visie belichaamd door het sceptisch theïsme. Deze stroming twijfelt niet aan Gods bestaan, maar is terughoudend wat betreft onze menselijke vermogens om door te dringen tot het grote geheel van de kosmos. Als er daadwerkelijk een God bestaat, dan zullen we met ons beperkt menselijk verstand nooit vanuit zijn standpunt kunnen redeneren. Of zoals Paas en Peels het verwoorden: “Een alwetende, volkomen goede en almachtige God is per definitie niet na te rekenen door wezens die niet alwetend, volkomen goed en almachtig zijn.” Onze natuurlijke afkeer van kwaad ontkracht deze stelling niet. Hoe groot onze afschuw tegenover foltering en moord ook mag zijn, hij weerlegt het sceptisch theïsme niet.

3.3. Gods alwetendheid en de vrije wil van de mens 

Wat de problematiek van het kwaad zo complex maakt, is dat alle onderdelen met elkaar gerelateerd zijn, waardoor ze in feite enkel samen te begrijpen zijn. In tegenstelling tot Gods almacht en Gods goedheid die nog gedeeltelijk afzonderlijk behandeld konden worden, is een aparte bespreking van Gods alwetendheid werkelijk een huzarenstukje. Ik zal daarom gebruikmaken van het begrip ‘vrijheid’ en dit laten functioneren als een brug tussen Gods alwetendheid, almacht en goedheid. Zo poog ik te komen tot een solide geheel. 

Opdat vrijheid een stevige brug kan vormen, moet deze term duidelijk gedefinieerd worden. Ik volg daarbij de common sense opvatting die stelt dat de mens daadwerkelijk beschikt over een vrije wil. Essentieel voor die vrije wil is het hebben van een keuzemogelijkheid, in dit geval tussen goed en kwaad. Wanneer de vrijheid verdwijnt, zal het moreel kwade, maar ook het moreel goede verdwijnen. En wanneer ons de mogelijkheid tot moreel kwaad wordt ontnomen, dan verdwijnt onze keuzemogelijkheid en bijgevolg onze vrije wil. Vrijheid impliceert aldus de mogelijkheid tot moreel kwaad en de mogelijkheid tot moreel kwaad is op haar beurt een noodzakelijke voorwaarde voor vrijheid. Op deze onderlinge verbanden baseert Plantinga zijn weerlegging van het deductieve argument, dat ik echter niet zal bespreken. Wel zal het zonet gedefinieerde begrip ‘vrijheid’ net als in Platinga’s argument als een rode draad doorheen het vervolg van deze sectie lopen.

Een wereld zonder mogelijkheid tot kwaad?  

Om te beginnen, vormt vrijheid een brug tussen Gods alwetendheid en Gods almacht. De term ‘alwetendheid’ is echter voor tweeërlei uitleg vatbaar. Enerzijds kan hij wijzen op het vermogen om abstracte gevolgen en mogelijkheden te voorzien. Anderzijds kan hij het vermogen omvatten om concrete individuele daden te voorzien. Ik zal werken met de hypothese dat God over perfecte alwetendheid beschikt en bijgevolg de concrete daden van een individu in de toekomst kan voorzien. Welnu, gegeven deze alwetendheid, kan God dan niet voortdurend ingrijpen en zo kwaad voorkomen? In de sectie over Gods almacht werd deze vraag met betrekking tot natuurlijk kwaad reeds behandeld. Zoals toen aangetoond, behoort kwaad intrinsiek tot de natuur. Om de begincondities niet te schenden, moet bijgevolg goddelijke interventie – het verrichten van wonderen zo je wil – zeldzaam blijven, aldus Lewis. Zoals Paas en Peels aangeven, is het bovendien mogelijk dat God reeds veel kwaad belet zonder dat wij het beseffen. In de veronderstelling dat we vrij zijn, kan God ook met betrekking tot moreel kwaad niet ingrijpen. Lewis merkt terecht op dat het goede het kwade niet kan verhinderen zonder de vrijheid – één van de begincondities – op te offeren. Als God voortdurend zou ingrijpen, zou de mens verworden tot een willoze marionet. Hieruit volgt dat een wereld zonder mogelijkheid tot moreel kwaad intrinsiek onmogelijk is gegeven onze vrijheid, ondanks Gods alwetendheid.

Vrijheid slaat ook een brug tussen Gods alwetendheid en Gods goedheid. Volgens mij impliceert ware liefde namelijk vrijheid. In echte liefde staat de vrijheid om te kiezen helemaal vooraan. Kunnen kiezen is niet alleen een noodzakelijke voorwaarde voor vrijheid, maar kiezen is tevens een beleving van vrijheid, alsook een voorwaarde in de liefde. Echte liefde dwingt niet. Als God dan werkelijk van ons houdt, laat Hij ons vrij. In dat geval zijn we vrij om te kiezen tussen goed en kwaad en kunnen we ja of nee zeggen tegen zijn liefde. 

Deze stelling botst niet met de eerdere conclusie uit de sectie over Gods goedheid die stelde dat liefde en lijden geen tegenpolen zijn. Uit deze conclusie bleek dat Gods liefde het beste in ons naar boven wil halen, dat Hij ons wil omvormen en beminnenswaardiger maken en dat dit vormingsproces gepaard kan gaan met pijn. Deze beschrijving geeft Gods relatie naar ons toe weer. Onze relatie naar God toe kan er echter heel anders uitzien. Wij hoeven niet in te gaan op zijn aanbod. We kunnen Hem vragen om minder liefde en Hem de rug toekeren. Als God echt van ons houdt, kan Hij ons niet tegenhouden. Ware liefde is immers niet egoïstisch. In gebrekkige termen kan men deze God-mens relatie waarbij de mens God afwijst, vergelijken met een niet-wederzijdse liefde tussen twee mensen. Als een jongeman een meisje echt graag ziet, wenst hij haar het beste toe, ook al kiest zij voor een leven zonder hem. Hoewel het pijn doet, laat hij haar vrij. 

Lewis merkt terecht op dat het goede het kwade niet kan verhinderen zonder de vrijheid – één van de begincondities – op te offeren. Als God voortdurend zou ingrijpen, zou de mens verworden tot een willoze marionet.

Ware liefde impliceert vrijheid.

Maar uit Gods alwetendheid volgt dat Hij alle kwaad en de mogelijkheden daartoe die uit de vrijheid voortkwamen en zullen voortkomen, op voorhand kon voorzien. Waarom schiep God dan niet enkel wezens die voor Hem en voor het goede zouden kiezen? Dat is een onmogelijke vraag. We kunnen de liefde namelijk alleen afwijzen als we die keuze hebben. We kunnen enkel voor God kiezen, als we ook tegen Hem kunnen kiezen.

Het tragische van de liefde ligt in het feit dat ze kan worden afgewezen. Uit dit alles volgt dat kwaad een uitvloeisel is van Gods liefde en goedheid. 

Schiep God dan beter géén wereld? Hoewel deze vraag buiten het bestek van deze paper valt, wil ik kort opmerken dat echte liefde geven en niet nemen is. Als God liefde is, dan wil Hij bijgevolg die liefde kunnen uitdelen. En om te kunnen uitdelen, moeten er wezens zijn om aan te geven. Het tragische van de liefde ligt in het feit dat ze kan worden afgewezen. Uit dit alles volgt dat kwaad een uitvloeisel is van Gods liefde en goedheid. 

 

4. Conclusie: een zwak argument 

Uit deze grondige analyse van de termen goedheid, almacht en alwetendheid blijkt dat de problematiek van het kwaad geen goed argument vormt tegen Gods bestaan. Vrijheid fungeert daarbij als verbindend sleutelbegrip: ware liefde impliceert vrijheid en wat intrinsiek onmogelijk is – waaronder het kwade verhinderen zonder de vrijheid te schenden – is ook voor God intrinsiek onmogelijk. Als God echte liefde is, dan kan Hij ondanks zijn almacht en alwetendheid de vrijheid om voor het kwade te kiezen, niet voorkomen. 

 

Bibliografie 

Leibniz, G. W. Extraits de la Théodicée: Essais sur la bonté de Dieu, la liberté de l’homme et l’origine du mal. Publiés avec une introduction et des notes par Paul Janet. Paris: Librairie Hachette Et Cie, 1912. 

Leibniz, G. W. and Samuel Clarke. The Leibniz-Clarke Correspondence. Together with extracts from Newton’s Principia and Opticks, edited with introduction and notes by H. G. Alexander. Manchester: Manchester University Press, 1956. 

Lewis, C. S. Het probleem van het lijden. Vertaald door Henriët Ferguson. Utrecht: Uitgeverij Kok, 2016. 

Paas, Stefan, en Rik Peels. God bewijzen: Argumenten voor en tegen geloven. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2013. 

Rutten, Emanuel, en Jeroen de Ridder. En dus bestaat God: De beste argumenten. Amsterdam: Buijten en Schipperheijn Motief, 2015. 

Yang, Steven Yue Heng. “On the wonder of life and the freedom of will.” In Proceedings of the International Multidisciplinary Scientific Conference on the Dialogue between Sciences & Arts, Religion & Education, edited by Marin Bugiulescu, 176-181. Romania: IFIASA (Ideas Forum International Academic and Scientific Association), 2018. doi: doi.org/10.26520/mcdsare.2018.2.176-181. 

PHOTO pixabay_books-1141911.jpg

Marleen COPPENS (FR) - Unity, faith and care: values of Leo XIV at the heart of this June 2025 edition
photo: adobe_stock_656198233
Bertrand GALICHON (FR) -The poor: invisible to society? Or restored in human dignity and trust through medical care?
pixabay books-1141911_1280
Kaat VANDEPUTTE (NL) - Evil and suffering, an argument against the existence of God? C.S. Lewis remains inspiringly relevant
ethische_avond_2025.jpg
Jessie DEZUTTER (NL) - How finding purpose in life matters: hospital care for elderly